Antwerpen —  IstanboelDAG 11

— door Ward Hulselmans

— Zondag 1 december 2019

Nu weet ik wat er gisteravond aan de hand was. De temperatuur is gevallen tot 7 graden en we staan op het punt een ander continent te bereiken, een werelddeel dat aansluit bij het oosten en een ijzige wind meebrengt. Europa ligt definitief achter ons. Bij het ontwaken is de Alessia al voorbij de zeeëngte van de Dardanellen en Gallipolli, de historische plek waar de Turken in 1916 het Britse Rijk de grootste rammeling uit haar geschiedenis toedienden, een nachtmerrie die Winston Churchill tot na WO II zou achtervolgen. We varen nu door de Zee van Marmara, recht op de Bosporus en Istanbul af. Deze doorgang naar Istanbul en de Zwarte Zee is smal en rondom ons snellen tankers, containerschepen en coasters door de trechter, oostwaarts.

"De radar lijkt op een bijenkorf: overal bewegende pijltjes."

Buiten is de vriendelijke en warme mediterraanse sfeer definitief weg. De Zee van Marmara is een soort Turkse binnenzee en de bergen die we links en rechts voorbijvaren zijn onherbergzaam kaal, grauwgrijs en nors. Elke romantiek wordt met koude hand weggeveegd. We varen een heel andere, harde wereld tegemoet. “The thrill is gone” zingt BBKing. Het mooie liedje is uit en de enige plek om dit te verteren is mijn warme kajuit.

"Na 5.850 kilometer komt Istanbul in zicht."

De hemel is bewolkt, de toegang naar de Bosporus is wild en ongetemd. Eindelijk zie ik in de verte de stad. Ik had gehoopt op een euforisch en tintelend gevoel in mijn binnenste. Constantinopel. Byzantium... Wat voelden de kruisvaarders duizend jaar geleden toen ze deze poort op het oosten bereikten, de laatste halte naar Jeruzalem ? Maar het is koud, het begint te regenen en de Bosporus werpt een dam tegen elke blijdschap. De omvang van wat ik zie is moeilijk te bevatten. Istanbul telt 14 miljoen inwoners en is zo uitgestrekt als twee Belgische provincies. Op het water liggen tientallen, zo niet honderden schepen voor anker te wachten. Vanop het platform op dek D zie ik de stad dichterbij komen, tenminste het deel dat dicht bij de haven ligt. Het is slechts een uithoekje van deze metropool, een fractie, de kleine teen van een mogol die zich achter een laag wolkendek heeft teruggetrokken. Dit mini-deeltje, dit partje, moet voor mij Istanbul verbeelden.

"Ik moét dit op foto vastleggen, ik heb wel geen passend gevoel,"

ik ben zeker niet ontroerd, niet blij, maar het bééld moet ik hebben, het pars pro toto – het deel voor het geheel, de illusie van een werkelijkheid, de te kleine vlag die de lading moet dekken. Ik richt mijn fototoestel op de stad met de magische naam. Er klinkt een beep en op het schermpje verschijnt de boodschap: “batterij toestel leeg.”

***

— DAG 1030 november 2019

vorige dag