Antwerpen—  Dublin — Cork — Antwerpen.

— door Ward Hulselmans

Donderdag 16 mei 2019 Bam. In het kantoor van de Antwerpse scheepvaartpolitie landt de stempel op mijn inschepingsformulier. Eindelijk, het staat gedrukt: “Rang: pass.“ Ik ben officieel passagier van de Elbfeeder. Vijf kilometer verderop geef ik het document aan de security van de PSA Europa terminal. Weer paspoortcontrole. Nog eens stempels. Vervolgens word ik in een busje geduwd dat keihard over kade 867 richting Elbfeeder sjeest. De afstand is amper 100 meter, maar zelf naar het schip wandelen is uitgesloten. Busjes en containerdragers rijden kriskras langs de grote kranen, alles scheert rakelings voorbij. Het lawaai van containers, kettingen, waarschuwingssirenes en claxons is angstaanjagend. Uit de weg! Hier telt elke seconde. Hier wordt gewerkt! Time is money! Even later klim ik langs de gangway naar het schip en bij elke tred vervaagt de agressieve sfeer van de kade. De vlag van Cyprus wappert in de wind. Wat zich op land afspeelt, telt niet meer. Ik voel me als het kind dat de sleutel van de snoepwinkel heeft gekregen. Op het achterdek wacht een Filipijns bemanningslid bij een geelgeschilderd tafeltje waarop het scheepslogboek. Weer controle. Hier nog een handtekening, daar nog één. Vervolgens word ik doorgeschoven naar een dertiger die achter me heeft gewacht. Een bleek gezicht, een grijs trainingspak, een vermoeide glimlach: “Welcome on board”. Ik denk eerst dat hij een onderdeks hulpje is, maar hij stelt zich voor als 2de officier van het schip! Bij die rang beeldde ik me eerder een soort Tom Cruise in, met wit hemd en strakke plooi in de broek; geen verlegen jongen als deze. We drukken elkaar de hand, waarna hij in het Russisch in zijn walkie talkie begint te praten. Uit de radio schettert een Russisch antwoord. Zit ik op het verkeerde schip ? Ik vraag of hij wel degelijk Rus is. Hij kijkt verbaasd. Helemaal niet, nee. Hij héét wel Iwan, maar hij is Oekraïner. Zijn chief officer, dié is Russisch. Net zoals de tweede machinist. De kapitein komt dan weer uit Estland en de eerste machinist (chief engineer) uit Litouwen, kortom alle officieren van dit schip komen uit het voormalige oostblok. Het lagere werkvolk is Filippijns. De vlag Cypriotisch. Alleen het schip is Duits. Op tien seconden heb ik een hoop geleerd : niemand in het westen wil nog zeeman zijn, Russisch is op zee een wereldtaal, Filipino’s zijn nog altijd het scheepsproletariaat, de vlag is meestal goedkoop en alleen de eigenaars zijn westers.

"De afstand is amper 100 meter, maar zelf naar het schip wandelen is uitgesloten.”

Ik volg de 2de officier langs de buitentrappen richting brug. Zijn Engels is zoals het schip: basic. Op het derde dek trekt hij de ijzeren deur open. Een smal gangetje rechtdoor, een smal gangetje links. Drie deuren. De eerste van de kajuit van de chief engineer, dan die van Iwan en recht voor mijn eigen kajuit. Dat is het hele derde dek. Drie hutten en twee gangetjes. Boven en onder is het net zo. Helemaal boven huist de kapitein en helemaal onder -dicht bij de motoren-, de Filipijnse matrozen. Ik weet meteen dat ik geen fitnessruimte, sauna, bar en zwembad moet verwachten. Dit is een kleine 11.000 ton-cargo voor de korte routes en hiermee moeten we het stellen. Luxe is er enkel op de grote containerschepen die de oceaan oversteken. Terug buiten, geeft Iwan te verstaan dat enkel de groengeschilderde vlakken van het schip voor mij betreedbaar zijn. Niet de rode. Absoluut niét. Hij wijst. Ik kijk. Het hele benedendek ziet rood, tot vooraan. Geen kwestie het schip rond te lopen. Verboden. Safety first, sorry. Alleen de platformen vanaf dek 1 tot hoog boven 6, zijn betreedbaar. “Don’t forget, mister”. Hij verdwijnt. Hum. Ik kan dus enkel op en neer. En op het hoogste dek naast de stuurhut een beetje links en rechts op de vleugels.

Maar ach, dramatisch is het niet. Waarom zou ik per sé rond het hele schip moeten lopen? Tenslotte ben ik hier voor de zee en het eenvoudige leven, ja toch? Mijn kajuit is ruimer dan ik dacht. Eénpersoonsbed, badkamertje met douche en wc, een tafel met stoel en bank, een kast.

"Wifi is er niet, voor de recorder op het rek heb ik geen cd’s bij me en de radio-functie werkt niet. Het zal hier een week lang stil blijven en dat is een zalig vooruitzicht."

Ik laad mijn bagage uit en kijk door de patrijspoort. Er wordt nog steeds geladen, de ene na de andere 45voet-container wordt aan boord gezwierd. Het vertrek is uitgesteld tot 19u, wat betekent dat ik nog net kan avondeten. De mess officieren is zoals alles op de Elbfeeder. Klein en kraaknet. Aan de andere kant van de wand is de mess voor de Filippijnse matrozen. Mijn plek van enige passagier wordt aangewezen: dààr, op de kop van de tafel en nergens anders. Zoals alles op dit schip heeft elk détail zijn eigen plek en betekenis en een passagier is zo’n détail. Ik zit tussen twee officieren die over mijn bord heen Russisch ratelen, hun eten tegen recordtempo opharken en na een knikje wegstuiven. Geen communicatie. Geen idee welke rang of taak ze hebben. Voorlopig noem ik ze ‘geel Tshirt en zwart Tshirt’. Na het eten blijft er nog een vol uur voor vertrek, tijd dus voor verdere verkenning, al levert die niet veel op. De bemanning laat zich slechts sporadisch zien of horen. Een schaduw in de verte, een deur die dichtslaat, mensjes in oranje overall die diep beneden tussen de containers friemelen, een officier die zich in de stuurhut over de kaart buigt. Alles gaat zijn eigen gang, ieder kent zijn taak, discipline heerst.

*

De Elbfeeder ligt niet in een dok, maar aan een getijdenterminal langs de Schelde en dat is een geweldige meevaller. Rechts om de hoek is de Berendrechtsluis en aan de overkant staan de torens van de kerncentrale van Doel.

"Vlak voor mijn neus varen schepen heen en weer, een fascinerend spektakel."

Het Franse cruiseschip dat ik daarstraks nog zag aangemeerd aan het zuiderterras, schuift voorbij. Binnenschepen ploegen als torren door het water en de Schelde slingert zich door een groene landschap richting zee. Het lijkt of ik al dagen onderweg ben en we liggen nog vast ! Om kwart na zeven komt de loods aan boord en klimt naar de stuurhut op maindeck. Op het achterplecht zeven verdiepingen lager houden drie Filippijnen in oranje overalls de lieren gereed om de meertouwen binnen te halen. Een minuut later gaat een diepe rilling door het schip. De motoren slaan aan en kielwater spat omhoog. De gangway wordt weggetakeld, dokwerkers smijten de trossen in het water en de boegschroeven gaan op volle toeren. De Elbfeeder komt langzaam los van de kade. Mijn reis begint.

*

Tijdens de volgende uren vaart het schip in tanend licht tussen de oevers en de zandbanken van het Land van Saeftinghe en Zeeland en ik maak zo belachelijk veel foto’s, dat ik me plots benauwd voel: ben ik nu een toeristische brochure aan het maken, of wat? Ik berg mijn toestel op. Ik wil alleen nog kijken. Het werkt. Na een tijdje komt het prettige gevoel van vrijheid terug. Hier is niemand die op je let en je bent je eigen middelpunt tussen lucht en water. Ik moét dit prachtige landschap bijvoorbeeld niet bewonderen. Ik kan evengoed m’n rug draaien en wat rondlopen. Het kan, het is juist de bedoeling van deze reis dat het kan. En zo kom ik uit bij een raar verlangen: eigenlijk zou ik nu liefst naar mijn kajuit gaan en gewoon de gazet lezen; ik heb het nu wel gehad met dit romantische postkaartenlandschap en bovendien wordt het wat frisjes. Even later zit ik op mijn dooie gemak Het Laatste Nieuws te lezen. Precies wat ik nodig had. In het donker bel ik met Spreeuwtje en daarna valt de verbinding uit. Vanaf nu geen telefoon meer, geen internet, geen radio, geen tv. Buiten ziet alles zwart, in de verte een rij lichtjes. Ik val als een blok in slaap. Ik heb geen benul waar we zijn. Het geeft ook niet. 

***