Antwerpen—  Dublin — Cork — Antwerpen.

— door Ward Hulselmans

Vrijdag 17 mei 2019 Bij het opstaan lijkt het gebrom van de scheepsmotoren monotoner en doffer. We zitten in dieper en breder water. Door de patrijspoort zie ik alleen de deinig van de zee. Geen land, alleen water en grijze lucht, geen andere schepen. Of toch: heel in de verte schuift de blauwe streep van een enorm containerschip op gelijke hoogte mee. Even later verdwijnt het achter de horizon en zijn we weer helemaal alleen. We hebben de Straat van Dover verlaten en varen nu door Het Kanaal, waarschijnlijk ergens tussen Brighton en Dieppe. Ik moet me vasthouden bij het uit- en aankleden. Als ik even later de ijzeren deur van het trappenhuis naar Dek 1 opentrek, word ik bijna weggeblazen door een strakke, ijskoude wind. Tijdens de klim naar het hoogste dek klem ik me vast aan de reling en eenmaal boven ben ik klaarwakker. Vanop het hoogste dek kan je de stuurhut binnenkijken. Centraal staat een rij verlichte schermen met radar en zeekaarten en daarrond een paar honderd knoppen en handles. De Chief Officer (ik herken nu Zwart T-shirt), leunt op z’n gemak over een kaart en kijkt niet eens waarheen we varen. Even later kuiert hij weg om thee te schenken en na een halve blik op de schermpjes, gaat hij weer boven zijn zeekaart hangen. Hij geeuwt een paar keer, hij heeft niet in de gaten dat ik hem van buiten aanstaar. Het schip vaart vanzelf, op automatische piloot, tegen 15 knopen per uur, altijd maar rechtdoor. Ik krijg een raar gevoel in mijn maag, maar ja, wat had ik dan verwacht? Kapitein Haddock die aan een houten roer draait en richting machinekamer roept om meer kolen op het vuur? Volgende mijlpaal van de dag: ontbijt. Het is lekker warm in de mess, die veel wegheeft van een ziekenhuiskantine uit de jaren ’70, met blinkend linoleum en tafelkleedjes in toile cirée. Met kok Ramon heb ik al eerder kennisgemaakt. Ramon is een kleingebouwde goedlachse Filippijn met een gek wit mutsje die geen seconde stilstaat. Zijn Engels is karig, hij kan de R niet uitspreken en pas na drie keer herhalen begrijp ik dat er spiegeleieren op het menu staan. Het belet niet dat we binnen de kortste keren hartelijk met mekaar omgaan.

"Ik weet niet wie hij is, ik noem hem “De Monnik.”

Hoewel het nooit verandert, bewaar ik aan het ontbijt de beste herinneringen: eieren in elke gedaante, Poolse worst in elke gedaante, kaas uit de ijskast, wit of Pools brood, fruitsap en koffie of thee. Op tafel staat een houten bak met potten hete rode jus, mosterd, zoetzure saus, Poolse augurken enz. Pas dag 3 ontdek ik daartussen het witte deksel van een pot…Nutella! Terwijl ik mijn laatste beet naar binnen werk, betreedt een reus van 2 meter in zwartlinnen broek en zwart shirt, op blote voeten de mess. Een bleek gelaat, als van iemand die zelden daglicht ziet. Zijn handen hangen losjes naast zijn grote lijf. Hij lijkt niet te stappen, maar te glijden en zijn blik gaat langs me heen zonder iets te zien. Hij straalt iets uit dat een sterk innerlijk leven doet vermoeden, hij heeft iets wat we gewoonlijk als ‘zen’ omschrijven. Het is de meest raadselachtige figuur die ik aan boord zal ontmoeten. Ik weet niet wie hij is, ik noem hem de hem "De Monnik". Onderdanig zet Ramon hem spiegeleieren met dikke gebakken worst voor. De Monnik schuift het in recordtijd binnen met Pools brood, knikt dan toch eens in mijn richtig en verdwijnt weer. Ik vraag aan Ramon wie hij is. De Chief Engeneer blijkt. Eerste machinist, na de kapitein de belangrijkste man aan boord. Hij komt uit Litouwen, het door Rusland omsingelde staatje aan de Baltische Zee. Ik voel dat ik Ramon geen vragen moet stellen over De Monnik. Ik krijg trouwens geen kans. Ramon stelt voor om straks van zijn gemberthee te komen proeven, ik mag kiezen: met of zonder look. Eh…op dit uur in de morgen toch maar zonder look zeg ik. Hij schudt het hoofd, ik weet écht niet wat goed voor me is; maar kom, aldus Ramon, gember alléén is ook al uitstekend voor bloodplessul. Wablief? Weer herhalen. Oh: bloeddruk. Yes! En voor de spijsvertering. Zijn blik vertelt me dat ik het nodig zal hebben. Dat belooft.

Terug in mijn cabine probeer ik wat te lezen, gewiegd door de zalige deining en doordrongen van motorgebrom. Na drie regels val ik in een heerlijke slaap. Een uur later word ik wakker, net op tijd voor “tea time with Ramon”. In de kombuis neem ik een slok gemberthee en mijn haren komen recht overeind. Hot?, vraagt Ramon. Yes Ramon, very véry hot... Hij grijnst. Vanmiddag krijg ik weer een dosis. En vanavond ook. Ik word nog kerngezond. Als ik het tenminste overleef.

*

Bericht van de kapitein. Ik word op de brug verwacht voor de rondleiding die in het reispakket zit. De kapitein is een kortgeblokte en een kortaangebonden Est in geruit hemd. Zijn naam verneem ik niet, hij is gewoon ‘the captain’. Hij ziet al aan mijn gezicht dat techniek niet mijn ding is en hij is niet van plan er veel woorden aan vuil te maken. Met vragen stellen doe je hem echt geen plezier, dus ik hou mijn mond. Het blijkt dat één man op de brug volstaat en de koers automatisch wordt ingesteld en gevolgd via computer en de dubbele en driedubbele radars. Slechts sporadisch is tussenkomst van het menselijk oog of hand vereist – hooguit in precaire omstandigheden. De drill op de brug is vier uur op en vier uur af, verdeeld tussen de kapitein en twee officieren. Ik verneem dat we 369 containers van 40 voet aan boord hebben en we eerst Dublin aan doen, niet Cork. Als ik (met het oog op een uitstapje aan wal) vraag hoe lang het laden en lossen gaat duren, antwoordt de kapitein “no idea”. Alleen al de gedachte aan Dublin staat hem tegen: in Ierland is niets zeker, gromt hij. Hoe dat komt? “No idea”.

"Uiteindellijk haalt hij z’n schouders op en zucht: “Iéren”… “Met Ieren weet je nooit."

Ik krijg een warm gevoel van herkenning. Het is dezelfde blik, dezelfde zucht van de bezoekers aan onze streek, als ze niks begrijpen van de plaatselijke gang van zaken: “Wàlen meneer…Wàlen!”…

*

De zee is eindeloos grijs. Het water lost zich op in een lucht die al even grijs is en zo valt de horizon weg. Het is één grote, deugddoende ruimte vol koude zuivere lucht. Overal ter wereld is grijs vervelend, behalve op zee. Ik adem en geniet.

Even later zit ik alleen voor de lunch. Ik kijk in de soepketel en zie mezelf weerspiegeld in dikke vet-ogen. Veiligheidshalve schep ik enkel bovenaan. De soep is rood. Met een paar sneden Pools brood lepel ik alles binnen. Het smaakt zo heerlijk dat ik nog een portie bijneem. Zonder de bodem om te woelen, want die wil ik niet zien.

*

Na het middagmaal –gelukkig weer met gemberthee voor de vertering -, nog even vijf dekken klimmen naar de brug; althans het buitendek aan bakboord. Er is geen mens te zien, terwijl we toch tegen 17 knopen door het water klieven. Het schip vaart vanzelf. Ergens rechts ligt vermoedelijk het eiland Wight. Aan de Franse overkant Le Havre. Ik kijk rond. De zee blijft eindeloos grijs, met die massieve aanwezigheid die alleen de natuur kan oproepen.

En dan klinkt gepiep van een alarm – dit sein heeft al een dozijn keren door alle luidsprekers van het schip geklonken. Uit het niets schiet de kapitein de brug op en mept op een knop die aan en uit knippert. Het gepiep houdt op. Het is een soort aanwezigheidscheck, zo blijkt. Als het alarm niét wordt uitgemept, is er pas echt reden tot onrust, want dan is de brug onbemand. Wat een opluchting: we zijn dus niet totààl overgeleverd aan de automatische piloot. Daarna merk ik iets wat me gisteren al was opgevallen. De kapitein staat geen seconde stil. Gedurende heel zijn wacht doet onze gesloten brompot niks anders dan met grote passen heen en weer marcheren. Verbergt hij een stappenteller in zijn zak? Heeft hij spataderen? Hopelijk eet ik vanavond niet alleen, dan kan ik iemand de vraag stellen.

*

Ik trek mijn gordijntje dicht en besef steeds meer dat deze kajuit mijn cocon wordt.

"Hoe weidser de zee en hoe hoger de lucht, hoe veiliger en intiemer deze hut aanvoelt. "

Ik herhaal een ritueel dat al eeuwen de mens markeert: het zoeken naar geborgenheid, in steeds andere variaties op de absolute warmte van de baarmoeder. In deze kajuit koester ik de illusie dat ik veilig ben tegen de immense natuur. Ik word gedeind als in een wieg en alleen het leeslampje brandt. Zo sukkel ik weer in slaap en als ik wakker word is het bijna 15u. Mijn leven krijgt stilaan een ander ritme. Ik begin te begrijpen dat mijn lichaam de tijd terugneemt waarop het recht heeft. Het is een inhaalbeweging die me met de dag rustiger en fitter maakt. Ik dank dit schip omdat het me elke afleiding ontzegt: geen fitnessroom, geen sauna, geen bar, geen muziek, geen drank, geen medepassagiers, niks…

"Alleen aan tijd is geen gebrek. Precies wat ik nodig had."

In het badkamertje scheer ik me met het mes, een slecht idee met deze deining. Het ene na het andere bebloede Wc-papier verdwijnt in het toilet. Thuis heb ik uit een oude atlas een zeekaart van Engeland en Ierland gescheurd. Ik hang ze onder het enige rekje boven mijn tafel. Op slag wordt de kajuit gezelliger, maar het blijft bizar: terwijl Spreeuwtje op haar smartphone tot in détail de koers van de Elbfeeder kan volgen, weet ik – die er nota bene op zit! – op geen honderd mijl na waar we ons bevinden. Ik schat ergens tussen Portland en Cherbourg. Ik zet een kruisje op de kaart en noteer: 16u. Kuifje is weer niet veraf. Tijdens het avondeten (varkensstoofpot met pasta à la Ramon), stel ik de vraag over de Marcherende Kapitein aan Zwart T-shirt, de Russische Chief Officer die Ilia blijkt te heten en niet van de kwaadsten is. Met mijn stappenteller zit ik er niet ver naast. Bewegen blijkt voor de officieren van de Elbfeeder een echte obsessie. Je kan volgens Ilia wel op en neer de trappen naar de verschillende dekken, maar rond de boeg joggen zoals op grotere schepen, is te riskant wegens de containers. Dus mocht op dit schip ooit een vierkante meter bijkomen, er zou direct een loopband staan. Geen wonder dat de officieren in hun vrije tijd te voet naar Dublin of Cork willen: ze kijken er echt naar uit om die 10 km heen en weer te lopen, de kapitein op kop. Als de Chief Officer weer weg is, vertelt Ramon dat hij al een paar weken probeert aan wal een tweedehandsfiets te kopen om sneller heen en weer naar de stad te kunnen. Maar elke keer mislukt zijn plan door gebrek aan tijd. Hij raakt gewoonweg niet tot bij een winkel of een Penny-zaak. “Zondag probeer ik het weer eens”, bromt hij en kijkt naar de punt van zijn schoenen. Hij gelooft er niet echt in. Elke minuut van de dag wordt beslag gelegd op de kleine Filippijn. Het is zijn lot, zie je hem denken. Eerder ontmoette ik benedendeks Rey Mark, een Filippijnse Ordinary Sailor – de laagste rang van matroos. Hij is de laatste zes maand maar één keer van boord geraakt. Ik geloof het eerst maar half: in een half jààr? Maar het is zo. En nee niet in Antwerpen, daar ligt de containerkade 15 km buiten de stad en kost een taxi 50 €. Wel in Cork, yessir. Om telefoonkaarten te kopen.

"Telefoneren is voor Filippijnen wat kilometers zijn voor officieren: een obsessie. "

Vanaf de seconde dat er “network” is, zie je ze her en der naar familie bellen. Waarom de Filippijnse matrozen moeilijk van boord raken, is simpel: time is money; amper aan een kade wordt het schip continu gelost en geladen en voor het los- en vastmaken van de containers aan boord zijn de Filippijnen onmisbaar. Lees: niemand wil voor 1.284 $ per maand – zeg 1.000 € -, aan deze levensgevaarlijke job beginnen. Toch heeft Rey Mark een prachtige glimlach: hij zal met kerstmis thuis zijn in Manilla. Daarvoor heeft hij twee maand bijgetekend, bovenop zijn contract van 9 maand… Gaat hij in Dublin van boord kunnen? Nossir. Een brede grijns: hij gaat het zelfs niet proberen. Hoe houden deze kleine kerels het in godsnaam vol en hoe slagen ze erin te blijven glimlachen en onderling pret te maken? Misschien vind je dààrom overal ter zee op de laagste dekken alleen maar Filippijnen: niet omdat ze van nature onderdanig zijn, maar omdat een rijk innerlijk leven hen boven deze dagelijkse ellende tilt. Ik weet het, dat is de romantische visie, maar het argument dat ze op deze manier tien keer meer verdienen als thuis, is evenmin toereikend. Na elk gesprek met een lagere matroos groeit mijn respect en dat zal zo blijven. Ik hoor dat we rond 22u Land’s End zullen ronden, het uiterste westelijke puntje van Engeland, het uiteinde van Cornwall. Op dat uur sta ik paraat op het hoogste dek. Het is nog licht, maar Land’s End is niet te zien. Het ligt ergens achter de mistige horizon. Toch is dit een beetje een plechtig moment want we zwenken nu naar de Keltische Zee, in rechte lijn noordwaarts richting Dublin. Ik blijf op het dek tot de grijze nacht valt. Er staat geen ster, geen maan, er is volstrekt niets. Alleen onze nachtlichten en het fluoriserende kielspoor achter het schip.

***