Antwerpen—  Dublin — Cork — Antwerpen.

— door Ward Hulselmans

Zondag 20 mei 2019 

Om 5u30 word ik wakker door het knallen van neerkomende containers. Het laden gaat onverminderd door. Ik ga in pyamabroek even buiten op dek. De zon schijnt zonder fut. De ruimen van het schip zijn nu opengezet, de vloeren staan rechtop en het schip lijkt op een reusachtig sardienenblik dat is opengetrokken. Van diep onder worden nu containers opgehaald.

 

Terug inslapen wordt moeilijk. Ik mis het monotone, geruststellende gebrom van de scheepsmotoren en de deining van de zee.

*

Bij het ontbijt blijft De Monnik zitten terwijl de andere officieren vertrekken. De reus in het zwart slurpt zwijgend zijn koffie, verzonken in zijn onpeilbare zelf.

 

Het blijft stil en ik voel me onbehaaglijk omdat hij zo dichtbij zit. Ik durf hem niet goed aankijken en maak een lange studie van de Poolse worst op mijn bord. Als hij me toch aanspreekt, laat ik bijna mijn vork vallen. Hij heeft een fotootje tevoorschijn getoverd en toont het met een glimlach die zijn voorkomen totaal verandert.

 

Ik zie een rij kleurige ouderwetse VW-camionettes die staat opgesteld voor een witgepleisterd gebouw, een soort slavisch paleis. “Lituwania” zegt hij. “Me from Lituwania”.

 

Ik knik wel, maar ik zie totaal geen verband met de VW-busjes. Ik vraag of één van die busjes misschien van hem is – hij kan een oldtimer-freak zijn, die duwen je altijd dit soort foto’s onder de neus. Hij kijkt me aan alsof ik niet goed wijs ben. “No no!” Hm. Ik zie nog altijd geen verband met Litouwen, dus ik vraag welke auto hij dan wél heeft. “Mazda 6!” luidt het antwoord. Een rode?, vraag ik, want mijn buurman heeft er zo één en hij vindt dat alleen sportief rood bij zijn gestroomlijnde Mazda 6 past. “Yes.” zegt de Monnik. Hij steekt het fotootje met de busjes weer weg. Waarop hij rechtstaat, even knikt en zonder een woord vertrekt.

 

Ik blijf zitten met de vraag wat ik verkeerd heb gedaan.

 

Het duurt een tijd voor het tot me doordringt: De Monnik heeft deze ontmoeting niet voortijdig heeft afgebroken wegens een bepaalde reden. Dit was gewoon geen ontmoeting. Het was een gebaar van goodwill van zijn kant. Hij heeft de foto en zijn glimlach laten spreken omdat hij geen woord Engels kent. Een verdere betekenis is er niet. Met zijn glimlach heeft hij even een brug neergelaten en die weer opgehaald. Hij beheerste dit moment volledig, als een monnik die de buitenwereld kent en er zijn gedacht over heeft.

 

Een uur later zie ik hem in de machinekamer, eerst achter een glazen wand in de controlroom, daarna in de gangen langs de stampende scheepsmachines. Hij is net iets te groot en moet zich voortdurend bukken. In deze heksenketel vol lawaai is hij de rust zelve. Dit is zijn wereld. Hier bestaat maar één taal, die van de machines, van de wonderlijke techniek die dit schip vooruitstuwt. Hij ziet me niet staan, hij is te druk bezig.

*

Rey Mark loopt wacht bij de gangway en noteert in het logboek dat ik om 10u30 van boord ga. Ik hou mijn paspoort en boorddocument al klaar, maar de slagboom van de terminal staat gewoon omhoog en er zit niemand in het kantoortje. Een camion met container sjeest zonder stoppen de haven uit, iedereen loopt hier binnen en buiten, geen mens die controleert. Ik hoor onze kapitein grommen: Iérland. 

 

Het is een uur stappen naar Cork, dat volgens de toeristische brochures een pittoresk stadje is – eufemisme voor een plek waar weinig te zien is. Gelukkig ben ik hier niet voor de monumenten; na dagen vlees snak ik naar verse vis, naar gelijk wat, als het maar uit het water komt.

"Ik tref een redelijk propere pub en duik in een pot mosselen. Ze zijn niet groot maar vers en ze ruiken naar de Ierse zee."

Voor nog meer vis verwijst de uitbater me naar de English Market, de overdekte markt van Cork. 

 

Het is alsof ik het Walhalla voor foodies binnenstap. Nooit, ook niet in Frankrijk, zag ik zo’n massa vers voedsel op één plek. Slagers hakken in koeienkarkassen, groentenboeren schreeuwen om aandacht, maar ik volg mijn neus tot bij de viskraam van K O’Connell. Per strekkende meter liggen hier pas gevangen vissen in alle maten en gedaanten tussen kreeften, oesters en zeeëgels . Ik sta minuten te kwijlen voor ik uiteindelijk een lap versgerookte zalm en een pot ingelegde inktvis bestel.

 

Zo valt mijn oog op een foto van Queen Elisabeth, tijdens een bezoek aan deze viskraam. Waarom hangt uitgerekend een Ier een foto van een Engelse Queen aan zijn muur? Ik verneem dat de koningin absoluut de naam wilde weten van een afzichtelijk zeemonster dat vlak onder haar neus te koop lag. “Oh, dat is de Schoonmoedervis”, riep de uitbater, zich zeer bewust van de dubbele bodem van zijn antwoord. Maar de Queen kon deze Ierse humor wel smaken en wel zodanig dat ze O’Connel later uitnodigde op de thee in Buckingham Palace.

 

Of dit geheel of gedeeltelijk waar is? Het is in de eerste plaats Iers, dus moeilijk vatbaar. Het maakt deel uit van de Irish Factor, van de onberekenbaarheid die je hier voelt, van de nonchalance die soms naar fatalisme neigt. Laat maar waaien, of liggen. Doe vandaag niet wat morgen nog kan. In die zin zijn de Ieren de Walen van over de zee.

 

Of deze vergelijking terecht is of niet, ik denk dat Ieren de laatsten zijn om hier ook maar één seconde over na te denken.

*

In de mess voor de Filippijnen zit Ramon sip naast de presbyteriaanse pastor Collin, die net voor mij aan boord is gekomen.

 

Collin is een dertiger met idealistische lichtblauwe ogen en de hulp en toeverlaat voor de lage kaste van matrozen die in Cork niet van boord raakt. Hij speelt chauffeur, leverancier van allerlei noodzakelijke spullen en verzorgt pas op de laatste plaats de zielen. De praktisch ingestelde dienaar Gods redeneert volgens het princiepe van Bertold Brecht: “Erst das Fressen, dann die Moral”, al staat Fressen hier vooral voor ‘telefoonkaarten’.

 

Ramon laat de schouders hangen. Hij is er voor de zoveelste keer niet in geslaagd zijn tweedehands fiets te kopen. Gisteren raakte hij in extremis niet van boord en vandaag stond hij in Cork voor een gesloten fietsenwinkel. Maandag sluitingsdag.

 

Collin aanhoort de kleine kok geduldig en noteert diens budget en de vereisten van de fiets. De pastor gaat de zaak zelf regelen. Als de Elbfeeder volgende keer in Cork aanlegt, staat er een occasie-fiets klaar belooft hij. Vervolgens moet hij er vandoor: er loopt een Chinees schip binnen waar de noden van de onderdekse hulpjes nog groter zijn. Hij laat wat religieuze folders met Christus-afbeeldingen achter op tafel en verdwijnt.

 

Ramon is er weer bovenop en vuurt direct “de” vraag af: wat heb je vanmiddag gegeten? Mosselen?? Echt waar? Je meent het niet! Wat lust je nog meer uit zee? Ik noem lukraak alle vissen waarvan ik de Engelse benaming ken, of toch ongeveer. Intussen zijn Rey Mark en Dennis erbijgekomen en mijn status schiet de hoogte in. Ik ben ineens De Man Die Mosselen en Vis Lust.

 

Langzaam begrijp ik hoe onoverbrugbaar het verschil moet zijn tussen de verfijnde Filippijnse keuken en de dagelijkse kost op dit schip vol carnivoren en alleseters… Ik heb met deze matrozen te doen en de plasticzak van bij O’Connell brandt in mijn handen.

"Uiteindelijk gooi ik de zalm en de inktvis op tafel. Filippijnse adamsappels gaan op en neer, speeksel wordt doorgeslikt. Na twee minuten is alles op."

En dan stelt Dennis de brandende slotvraag: “Lust jij ook krab?”  Ja natuurlijk. Waarom?

 

Vijf minuten later laat ik vanaf het roodgeschilderde achterplecht een mand met kippenafval overboord zakken. De mand verdwijnt in het tien meter diepe water. Volgens Dennis hebben ze hier vorige week “zulke” krabben gevangen, gekookt en opgegeten. Een feest. 

 

De eerste keer haal ik vier kleine krabben op. Vervolgens nog één of twee. Mijn Filippijnse vrienden zijn alweer aan het werk, maar ik vis dapper door. De vangst blijft pover maar het water is helder, de wind waait en ik voel me zo gelukkig als een jongetje op de pier van Nieuwpoort.

 

Een uur later tikt Iwan me op de schouder. We gaan vertrekken. Ik smijt de laatste krabbetjes terug. De loods beklimt de trappen naar de brug, de gangway wordt ingetrokken en de scheepsmotoren slaan aan. Het vertrouwde gebrom doet het dek trillen. Even later zijn we los van de kade. Het gaat nu in één trek terug. Woensdag komen we aan in Antwerpen. Het wordt nacht.

*

Blijkbaar is het Ierse gewoonte om aan elke buitenlander te vragen of het de “first time in Ireland” was. Elke keer heb ik ja geknikt. Een leugen om bestwil.

 

Nu, in bed, komt het verleden terug. Het is 1981 en ik ben als verslaggever in Noord-Ierland tijdens de burgeroorlog. IRA-gevangenen zijn een hongerstaking begonnen die ze tot de dood volhouden, uit protest tegen hun behandeling door het Engeland-getrouwe gezag. Ik zwerf dagen rond in de katholieke wijken van Belfast: Fallsroad, Andersons Town, de Divis Flats...Ik maak kennis met het rauwe geweld van een burgeroorlog, de tastbare haat, de angst, de verrotting van de jeugd en het verdriet van ouders. De hongerstakingen bereiken hun hoogtepunt. Na Bobby Sands sterft de éne na de andere IRA-gevangene de hongerdood in de H-blocks van Maze.

Ik zit aan de keukentafel bij de moeder van de vijfde hongerstaker als de telefoon gaat. Haar zoon – het moet Joe Mc Donnell geweest zijn-, is in doodsnood. Ik rij met de moeder mee in een taxi en zie haar achter de gevangenispoort verdwijnen, om haar zoon te zien sterven. Yes: first time in Ireland.

*