Antwerpen—  Dublin — Cork — Antwerpen.

— door Ward Hulselmans

Dinsdag 21 mei

7u ’s ochtends. Langs mijn patrijspoort schuift Land’s End voorbij. Vannacht hebben we de Keltische Zee van boven tot onder doorkruist. Dank zij een zon die recht op de boeg staat, is de rotsige punt van Engeland deze keer wel zichtbaar.

 

Zo varen we het Kanaal binnen en al snel valt alle zicht op land weer weg. Er staat er redelijke deining met golven van 1,5 meter met witte schuimkoppen. We varen tegen 17,5 knopen flink door.

 

Als ontbijt heeft Ramon pancakes gemaakt. Dikke flappen deeg die nergens op lijken en ook nergens naar smaken. Dus doe ik een greep tussen de flessen saus, mosterd en augurken en smeer een dikke laag Nutella over de gelige plakken. Zo schuiven ze lekker binnen. De onvermijdelijke kop gembertee neem ik mee naar mijn kajuit, waar ik dit dagboek bijwerk en dan weer eens in slaap val.

Dit wordt weer een dag waarin niets, helemaal niets te beleven valt. Het is een heerlijk vooruitzicht. Dank zij de beperkingen van dit schip begin ik stilaan de knepen van het dolce far niente te kennen.

"Ik denk aan de wijze woorden van mijn bootvriend Naar: 'Nietsdoen is een kunst. Maar je kan het leren'.”

Op de bakboordvleugel van de brug waait een frisse harde wind. Binnen loopt de kapitein in zich zelf verzonken, zijn rondjes. Af en toe schrijft hij iets op. Houdt hij het scheepsboek bij of telt hij zijn stappen? De wind wordt ijzig en de zon warmt nog niet op.

 

Ze zorgt alleen voor een eindeloze zilveren glinstering op het water. Af en toe kruisen we een minuscuul vissersbootje dat boeien uitzet. Zo glijden de uren voorbij. Het water is intussen helgroen.

 

Onder mij klinkt gelach. Een dek lager schuren Rey Mark en Dennis, plus nog twee onbekende Filippijnen verroeste plekken weg en schilderen ze weer helwit. Alles gaat zijn gangetje.

 

Voor de lunch staat er Spaanse omelet met buikspek op het menu. Het spek laat ik aan mij voorbijgaan. Ik draai de omelet die vol groenten zit, tussen twee sneden Pools brood en frommel er wat worst tussen. Aldus is de eerste en enige Elbfeeder-sandwich geboren. Lekker!

 

Daarna zoek ik de zon weer op. Naar dit water kijken, blijft fascinerend. Gisteravond fotografeerde ik vanop deze plek de zon die onderging in een orgie van kleuren op de wolken: geel, goud, rood, paars, het hele postkaarten-palet.

 

Vandaag is de lucht voor de eerste maal helblauw, nergens een spoor van wolken. De horizon is messcherp. Het water spiegelglad. Er welt een gevoel in me op waar ik kippenvel van krijg.

 

Wat ik zie is de samenvatting van alle verwachtingen van deze reis: een donker vlak water, een streep horizon, een lichtblauw vak lucht. Grijs – streep – blauw. Niets méér dan dat. Al het overbodige is weg. Niks geen wolken, kleuren of golven, alles is teruggebracht tot de essentie: grijs-streep-blauw. Het is voldoende. Het is absoluut bevredigend en rustgevend. 

"Zeppos heeft gelijk: dit soort reizen vervult de mens."

En meer dan ooit begrijp ik de abstracte schilders. Ik zie het supprematisme van Malevich, als hij in zijn zoektocht naar de essentie, naar de samenvatting van alles, uitkomt bij zijn “Zwart Vierkant” op witte achtergrond. Niets meer dan dat, een schilderij van een zwart vierkant. Een soort grijs-streep-blauw.

 

Hij had zijn doel bereikt, maar niemand die het snapte. Wellicht kwam hij te vroeg, het lot van veel visionairen. Het was toen 1915… Jaren later zei Malevich : “Het vierkant was onbegrijpelijk en zelfs gevaarlijk voor kritiek en maatschappij en dat viel ook niet anders te verwachten”.

 

Grijs-streep-blauw. William Turner schilderde de zee soms in gelijkaardige horizontale vlakken. “Three Seascapes” (1827) toont twee keer de lucht en drie keer de zee; als je het schilderij ondersteboven draait, klopt het nog altijd.

En dan is er Mark Rothko met zijn horizontale vlakken, en…en…

Grijs-streep-blauw: als ik iets van deze reis onthou, is het dit.

*

Mededeling van de kapitein. Vannacht verlaten we het brede water en vaart de Elbfeeder de Oosterschelde op. Om 4u komt de rivierloods aan boord en na aankomst in Antwerpen moet ik het schip voor 10u ’s ochtends verlaten. Het einde van het avontuur nadert.

 

Ik haal nog het maximum uit deze dag en blijf op het eerste dek naar zee kijken. Meer en meer schepen kruisen ons of liggen voor anker te wachten op toegang tot de Franse of de Engelse havens. Af en toe is er nog een vissersbootje dat laat naar huis keert, maar dan valt de laatste nacht.

 

Waar je ook kijkt, verschijnen nu scheepslichtjes. Het is druk in De Straat van Dover, een voorsmaakje van wat me aan de Antwerpse wal te wachten staat. Het enige wat niet verandert is het gebrom van de scheepsmotoren en het ontbreken van elke connectie met de buitenwereld.

*