Antwerpen—  Dublin — Cork — Antwerpen.

— door Ward Hulselmans

Zaterdag 18 mei Om 7u zit ik rechtop in bed en kijk naar buiten. Een pakketboot koerst zuidwaarts richting Frankrijk. Het schip is oogverblindend wit en het duurt even voor mijn frank valt: de zon schijnt ! Op de brug is het nog ijskoud. Ierland is een zonverlichte streep aan de horizon. Aan de andere kant – oostwaarts - ligt Engeland, en daar is het business as usual: dan weer mist, dan weer flauw zonnetje, dan weer mist, het is precies de Brexit: niemand weet wat het wordt en uiteindelijk gebeurt er niets en blijft Engeland gewoon vervelend grijs, net als altijd. Volgens plan moet ik me straks met geel hesje (!) en helm aanbieden voor een rondleiding in het voorste scheepsdeel, waar de containers staan. Ik begin te balen. Het is pas ochtend en mijn dag is al zonder mijn instemming ingedeeld: ontbijt tot 8u, om 11u de rondleiding, om 12u30 middageten en rond 15u aanmeren in Dublin.                 Bovendien heeft Ramon me ingefluisterd dat ik om 10u zijn zelfgebakken brownies mag – nee moét - komen proeven. De tijdsdruk maakt me nerveus. Veel liever was ik vandaag zonder besef van uur of tijd blijven rondlummelen. Ik ben niet op dit schip om te léren, maar om àf te leren!  Gelukkig smaken de brownies als voze rubberballen, dus ik voel me niet schuldig als ik er na één beet al tussenuitknijp.*Langs de patrijspoort schuift het Ierse berglandschap voorbij.  We zijn ter hoogte van Dun Laoghaire zegt mijn atlaskaart. Ik wil nog wat lezen, maar stel vast dat ik geen lectuur meer heb. Mijn boeken heb ik welbewust thuisgelaten en de meegebrachte artikels en interviews over schilder Philippe Vandenberg zijn allemaal gelezen.  Ik snuffel wat rond in kasten en schuiven en jawel: in de bank, onder een reservedeken, ligt nog een Nederlandse krant: het NRC-Handelsblad van 31 mei 2017! Het lezen valt tegen. Nieuws wordt na twee jaar liggen echt niet interessanter. Het ruikt gewoon naar oud krantenpapier.

"Ik voel me tamelijk belachelijk als ik me als “gilet jaune-met-helm” meld op het verboden rode achterdek."

Democrito, als ‘bosun’ de chef-matroos aller Filippijnen aan boord, leidt me rond in de krochten en gangen onder de containers. Eindelijk is de scheepsmotor eens niet te horen, maar dat is echt het enige voordeel op deze onheilspellende plek waar het kraakt van ijzer en staal. De stapels containers zijn aan mekaar vastgeklonken met twistjoints op de hoeken en met stangen langs de zijkanten: die moeten er in elke haven één voor één met de mensenhand af en weer op.

 

Er is langszij één diepgelegen gang naar de voorkant van het schip. Het zeewater slaat er voortdurend overheen. Wie hier valt, verdwijnt in het ruime sop. Democrito kijkt voortdurend achterom of ik er nog wel ben. Ja hoor, maar wel kletsnat van het zeewater. Vooraan, onder de boeg, spat de zee door kijkgaten in ons gezicht.

 

Verder overal gangen tussen containers. De wind giert ertussen. Hier en daar controleert een Filippijn de sluitstukken. We bevinden ons op zeeniveau en de containers zijn duizelingwekkend hoog gestapeld. Ik voel me niet groter dan een mier en eigenlijk wil ik zo snel mogelijk weg uit deze benauwende onderwereld. Ik onthou één ding goed: in de transportwereld is geen tijd voor sentiment; niet op zee, niet in de lucht en niet in camioncabines. Tijd is geld en de klok regeert.

*

Bij het binnenkomen van de mess kijk ik net op tijd in het bord van “De Monnik” om néé te schudden als Ramon vraagt of ik ook “braised beef” wens. Hij brengt me als troost een dubbele portie rijst met groenten in een hete saus. Het is zo lekker dat ik nog een bordje bijvraag. Ramon begint te beseffen dat ik anders in mekaar zit dan de Oost-Europese carnivoren & alleseters. Niet erg, roept hij: als dessert heb je nog altijd mijn heerlijke brownies!

*

Met een grote bocht vaart de Elbfeeder langs de Ierse zee richting Dublin. 150 containers moeten aan wal, 60 komen aan boord. Een loods heeft het roer overgenomen. Zonnestralen verlichten de brug en in zijn stijf gestreken broek, spierwit hemd en flashy zonnebril lijkt deze loods sterk op Leonardo Di Caprio. Het is of ik naar een dure reclamefilm kijk: “Wordt loods! Vindt de Job van Uw Leven!”

"Een haven binnenvaren is een geweldige ervaring."

De loods piloteert het schip als een slang tussen aangemeerde cargo’s en wachtende ferryboten.

 

Uiteindelijk schuiven we tergend traag naar de hoek van een dok, langs de Elbtrader, ons zusterschip dat hier ook containers lost. Het is alsof we in een spiegel naar onszelf kijken. Alles aan zusje is identiek, tot en met de kleuren en de tinten. Nu pas valt het me op hoe mooi ons schip is. Niet te groot, niet te klein, het is precies het schip uit mijn jongensdromen.

 

Het aanmeren volg ik vanop dek 1. Beneden bedient Rey Mark de lier om de meertouwen aan te spannen. Hij ziet me een foto nemen en begint spontaan te lachen. Nog dieper, op de kade, legt een dokwerker het tweede touw rond een bolder. De Ier tart elk cliché van de stoere docker. Hij loopt in T-shirt met korte mouwen, onder zijn bierbuik hangt een korte broek en van zijn linkerlaars hangt de veter los. Hij is ergens midden vijftig en hij baalt.

"Ik begin stilaan een beeld te krijgen bij wat “the Irish factor” wordt genoemd."

Ik meld me met mijn paspoort bij duty officer Iwan en daal langs de wiebelende gangway af naar de kade. De Oekraïner heeft geduldig uitgelegd hoe ik te voet de uitgang van de terminal vind, maar ik verwar al snel links met rechts en zo begint een hopeloze dwaaltocht tussen de duizenden containers. Alle straten lijken op elkaar en ik word moe. Net als ik overweeg om dan maar over het hek te klimmen, zie ik een pijltje “Exit”.

 

Even later sta ik langs een verlaten straat. Het stadsplan van Dublin ligt nog in mijn kajuit, dus ik volg met de natte vinger een lange macadamweg die hopelijk naar de stad leidt. Iemand fluit me van ver terug. Ik kijk om: verderop staat onze Kapitein Somber te wenken: hij wil me zowaar helpen en als ik bij hem ben, zie ik een totaal andere mens.

 

Is het de wandeling die hem zo deugd heeft gedaan? Hij legt vriendelijk uit welke kant ik op moet, wijst, tekent de weg in de lucht en gebruikt drie keer meer woorden dan we van hem gewend zijn. Ik verneem dat hij al inkopen heeft gedaan in het tankstation verderop en nu terug aan boord moet. Opgewekt marcheert hij langs het hek van de terminal terug naar de Elbfeeder. Hij begint nog net niet te fluiten. 

 

Na een paar kilometer arriveer ik aan een dok, omringd door hypermoderne kantoortorens en trendy restaurants. Ik heb de rand van de stad bereikt en kijk me de ogen uit de kop. Ik bevind me in een soort futuristische stad, het laatste wat ik hier had verwacht. De architectuur is adembenemend en alomvattend en ik bedenk me dat Antwerpen hier nog van kan leren.

 

Tot het doordringt dat dit alles wat té georganiseerd en nieuw is om alleen maar Iers te zijn. Natuurlijk zit de Europese Unie hier voor veel tussen. De EU heeft miljarden in de Ierse economie gestoken en dit is één van de zichtbare effecten. Nee, de Ieren krijg je niet zo gek om de EU te verlaten. Overal hangen affiches voor de verkiezingen en alle kandidaten loven en prijzen de Europese Unie. Hoe zou je zelf zijn?

 

Dublin valt een beetje tegen. Eerlijk gezegd doe ik ook niet veel moeite om mooie wijken te vinden. Ik wil slechts één plek aandoen: het postkantoor waar in 1916 de vrijheidsstrijders olv Pearce en Conolly de onafhankelijke Ierse Republiek uitriepen. Het is nog altijd een prachtig gebouw. Ik word gegrepen door emotie als ik binnenstap.   

 

Dit is de plek waar mijn jeugdhelden vochten en stierven in wat ik als een romantische vrijheidsstrijd zag. Het interieur is machtig. Marmer, blinkend koper en geboend hout, alles in de stijl van toen.

 

Niets herinnert aan de slachting die de Britse troepen er aanrichtten tijdens en na hun bestorming. Ik kijk rond en probeer me de hopeloze verdediging van de Ierse nationalisten voor te stellen; de overgave en de massale executies nadien.

 

Maar ik ben hier ook om een belofte na te komen. Joris Van Bree van Cptn Zeppos droomt ervan uit alle hoeken van de wereld postkaarten van zijn passagiers te ontvangen en ik wil het voorbeeld geven. Aan één van de mooie loketten koop ik kaart en zegel, maar helaas heb ik geen bic bij me. Naast mij vult een oud dametje haar lottobiljet in. Ik vraag haar de bic te leen. Als ze mijn postkaart ziet, duwt ze me haar pen toe en zegt: “Wish me luck with the lottery tonight and keep it, lad”. Wel…: “Good luck, that’s what I wish you mom!”.

"Natuurlijk verlies ik de pen nog dezelfde dag, maar de kaart is wel verstuurd."

Even later zit ik in Parnell Street in een pub, deze keer om een belofte aan mezelf na te komen. Aan de toog drink ik eindelijk een Ierse Bushmill’s, volgens mij de lekkerste whiskie op aarde. Er kan nog wat geluk bovenop: op een mega TVscherm kan ik de Cup Final tussen Manchester City en Watford volgen. Ik beleef intens de allerlaatste match van Prince Vincent Kompany en drink er nog eentje op Kev De Bruyne, die een geweldige match speelt : 6-0!

*

Om 21u30, als ik al lang terugben in mijn kajuit, ontrolt zich voor mijn ogen een verpletterend spektakel. Traag, tien verdiepingen hoog, schuift het luxecruiseschip “Orchestra” langsheen ons bootje. Als een hoge muur passeert het schip mijn patrijspoort. Ik loop naar buiten en kijk met open mond. Het schip is 300 meter lang, met 2.550 passagiers en een crew van 1.250 man. Het is een waarlijk monster van de zee.

 

Pas als het voorbij is, zie ik op het bovenste dek het scherm van een openluchtcinema oplichten. Passagiers kijken vanuit hun ligstoel naar een halfblote oosterse actrice in een jacuzzi. Ze laat zich een glas inschenken en praat met een acteur die naast haar staat.

 

Met dit surrealistische filmbeeld in de nacht, verdwijnt het cruiseschip naar zee.

*

Ik slaap terwijl de kranen doorgaan met laden. Om 4u slaan de scheepsmotoren aan en word ik wakker. Het schip trilt. Er klinken bevelen in de nacht. De Elbfeeder maakt zich los van de kade en ik val weer in slaap.

**