Antwerpen —  Istanboel
DAG 8

— door Ward Hulselmans

— Donderdag 28 november 2019

Ik ontwaak hier nog elke ochtend als een jongetje van tien bij het begin van de grote vakantie: elke keer ligt een lege dag te wachten om te worden gevuld. Niks is gepland. Twaalf uur onbereikbaar voor iedereen, geen mails te verwachten en een GSM die niet zal rinkelen. Er is alleen het “leven in het heden” zoals Marcus Aurelius het bedoelde: het invullen van het begrip ‘nu’, zonder dat moment te willen begrijpen of vasthouden. Tijd is toch als wind over water; ongrijpbaar.

"Een eiland is in zicht!"

Een grote bult verrijst aan stuurboord uit het water. Volgens de kaart is dit het Italiaanse Pantelleria. Door de verrekijker worden dorpjes zichtbaar. Slierten witte huizen plakken tegen de hellingen. Over kanaal 16 van de VHF klinken Italiaanse stemmen, het eerste vertrouwde geluid sinds lang. Ik krijg een prettig vakantiegevoel. De zon schijnt al volop en de zee is vandaag bedaard en glad. Het enige scheepvaartverkeer is van coasters, kleine tankers en vissersbootjes.
We varen onder Sicilië door, dat echter onzichtbaar zal blijven, we zitten 60 mijl van de kust . Om dezelfde reden zullen we niet merken dat we aan de andere kant Malta voorbijvaren.

 

Het is bizar hoe ik telkens weer land nodig heb om me te oriënteren. Voor het minste grijp ik naar mijn kaarten: hoever zijn we al opgeschoten, waar bevinden we ons ten opzichte van het Afrikaanse vasteland, langs waar varen we nu richting Griekenland? Mijn gedrag verraadt de landrot die ik blijf.

 

Een zeeman verlaat zich voor zijn plaatsbepaling alleen op noorderbreedtes en westerlengtes of op de sterren; voor hem is land hoogstens een oriëntatiepunt voor het uitzetten van een koers, meer nog, stukken land zijn voor een zeeman eerder hindernissen op een wereld die voor driekwart uit water bestaat.

 

Zo wappert de kapitein onverschillig met zijn hand als ik over Sicilië begin : ‘ach ja, Sicilië, dat ligt ginder ergens...’ Op de brug ligt zelfs geen kaart meer! Elke plaatsbepaling is gedigitaliseerd en geschiedt via radar- en computer. De brede kaartenschuiven zijn er nog, maar gaan nooit meer open.

 

Uiteindelijk kom ik op de brug aanzetten met de geografische kaart die ik uit mijn atlas heb gescheurd. Gleb en Lawrence kijken meewarig terwijl ze mijn vraag aanhoren: kunnen jullie hierop aub de koers tekenen van hier tot in Piraeus en Istanbul ? Dan hoef ik jullie niet elke dag driemaal te storen.

 

Ze doen het zo gewetensvol dat ik bijna wroeging krijg. De schaal wordt berekend, de computer ingesteld en de nametingen met driehoekslat uitgetekend op mijn atlaskaart. Mét koerswijzigingen en het aantal graden daarvan. Ik ga weg met veel thank you’s, maar ze zullen nooit begrijpen waarom.

"Voor hen blijf ik een rare niet-zeeman die zich vastklampt aan land zoals de duivel aan een ziel."

Is het een teken dat ik me eindelijk overgeef ? Of houdt mijn gedrag gevaar in ? Met een ligzetel die ik van dek D drie dekken hoger naar G heb gesleurd, installeer ik me in een hoekje buiten de wind. Het fototoestel is in de kajuit gebleven en vervangen door een zonnebril en Nivea-crème.

 

Het is 24 graden. De zon brandt. De zee is blauw. Vandaag doe ik niets meer, alleen luieren. De passagier die altijd heen en weer en op en neer heeft gelopen, is moe. Hij wil geen ijverig baasje meer zijn dat alles wil zien, hij is nu de toerist met een boekje in de zon. Het kan hem geen fluit schelen waar we zijn, er is de volgende twee dagen toch alleen maar zee, zee en nog eens zee.

 

Ik leg het boek weg en kijk naar de zee met een gevoel dat ik maar niet onder woorden krijg: is dit dan de uiteindelijke overgave, het Grote Loslaten ? Of eerder een voorteken van geestelijke luiheid en ben ik dus blasé aan het worden ? Geen idee. Is het vreemd dat ik me een beetje raar voel of is dit normaal voor iemand die acht dagen op de ondergrens van zijn sociale activiteit leeft? Geen idee. Of is dit een aankondiging van het nog meer gevreesde “zichzelf tegenkomen” ? Geen idee. Ik hoop van niet.

"Ik heb helemaal geen zin om mezelf tegen te komen."

Ik zou niet weten wat ik tegen mij zou moet zeggen. Hallo, ik ben zelf, en jij ?

 

Ach, misschien is mijn innerlijk gewoon naar de laagste versnelling geschakeld, deze van het genieten, iets waar ik nooit goed ben in geweest. Het is helemaal niet erg, het doet zelfs geen pijn.

 

Ik blijf later op dan voorzien. Met Lawrence en Gleb sta ik om 23u nog op de buitenvleugel van de brug. We turen naar de hemel die vol sterren staat. Af en toe zien we een vallende ster. Die brengen geluk! De twee kennen de sterrenhemel van buiten en ik krijg een les in astronomie, maar zoals met alle leerstof gaan de namen van de sterrenbeelden er het éne oor in en het andere weer uit. Het is niet erg. Wat telt is dat het we hier staan, in het pikdonker, met boven ons de sterrenhemel en onder ons een schip dat onverstoorbaar richting Piraeus stoomt, gedreven door 76.000 paardenkrachten.

"Het is namiddag, de zon schijnt keihard op het dek en aan stuurboord glijdt de kust van Tunesië voorbij."

We varen nu ter hoogte van het Tunesische Sidi Bou Saïd, het vroegere Carthago. Ik stond jaren geleden ook op die plek, vanwaar Hannibal zijn olifantentocht begon tegen het Romeinse Rijk.

 

Vanaf nu, vanaf dit punt op onze tocht, zal de geschiedenis van de Carthagers, de Grieken, Feniciërs en Romeinen ons niet meer verlaten tot in Istanbul, de “poort naar het oosten”...: Constantinopel.

 

De zee waar ons schip nu doorheen vaart, heeft alle keizers en heersers uit de Oudheid over zich heen gehad, gretig als ze waren om nog meer macht, nog meer land te veroveren ‘aan de overkant’. Ik heb thuis nog een paar geschiedenisboeken uit mijn humanioratijd en ik beloof mezelf om mijn kennis nog eens op te frissen. Maar ja, dat heb ik me al dikwijls voorgenomen.

***

— DAG 7
27 november 2019

vorige dag

— DAG 9
29 november 2019

volgende dag